direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Landelijk gebied, Zandtangerweg 46
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0037.BP1609-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Zandtangerweg 46 te Mussel bevindt zich Agrarisch Handelsbedrijf Johan Schuitema. Op een naastliggend perceel wil het bedrijf een bedrijfsgebouw realiseren voor de opslag van handelsgoederen, waarvan de opslag op dit moment op het buitenterrein en in een bedrijfsgebouw aan de Zandtangerweg 49 in Mussel plaatsvindt.

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Landelijk gebied (vastgesteld 23 maart 2009). Het plangebied heeft daarin de bestemming 'Bedrijf'. De initiatiefnemer wil de loods bouwen op een aangrenzend perceel (ten zuiden van het bestaande bedrijfsperceel), dit heeft de bestemming 'Agrarisch'.

Het gebruik van die grond voor niet-agrarische bedrijvigheid is niet toegestaan. Daarnaast voorziet het plan in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met meer dan 20%. Het vigerende bestemmingsplan staat een uitbreiding van 520 m2 toe, het ontwerp voor het nieuwe bedrijfsgebouw gaat uit van 675 m2.

Op grond van artikel 2.13.5 lid 2 van de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 kan een bestemmingsplan, onder voorwaarden, voorzien in een uitbreiding van meer dan 20% van de totale oppervlakte van de aanwezige bebouwing en een uitbreiding van het bouwperceel met meer dan 20% van het bestaande bouwperceel, mits de maatwerkmethode wordt toegepast.

Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld om de uitbreiding van het bouwperceel en de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw mogelijk te maken.

1.2 Leeswijzer

In het vervolg van dit bestemmingsplan wordt in de eerste plaats ingegaan op de inhoud van het plan en de motivering ervan. Dit gebeurt in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en gemeente besproken, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting op de regels gegeven. Als laatste wordt in hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan besproken.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de rand van Mussel. Mussel is één van de kleinere dorpen binnen de gemeente. Het dorp telt, samen met het buurtschap Kopstukken en het buitengebied zo'n 1.000 inwoners. Het is ontstaan in de negentiende eeuw op een zandrug in het veengebied langs de Mussel-Aa. Het oudste deel van het dorp ligt aan de weg van Musselkanaal naar Onstwedde. Later groeide het dorp ook langs de weg richting Vledderveen en de weg naar Jipsinghuizen.

Het plangebied ligt aan de Zandtangerweg 46 in Mussel en heeft een oppervlakte van circa 0,5 ha. Hier bevindt zich Agrarisch Handelsbedrijf Johan Schuitema. Het bedrijf is sinds 2002 gevestigd in een bedrijfsgebouw parallel aan de weg en is gespecialiseerd in advisering en levering (groothandel en detailhandel) van agrarische producten, zoals gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, zaai- en pootgoed, landbouwfolie, perstouw en wikkelfolie. Tevens is in het bedrijfsgebouw een plattelandswinkel gevestigd met agrarische bedrijfsartikelen en tuin-/dierbenodigdheden. Het erf is vanaf de weg toegankelijk en voorzien van verharding rondom het bedrijfsgebouw. Het representatieve erf aan de weg heeft een groene opzet en uitstraling.

Het achtererf doet in hoge mate dienst voor opslag en manoeuvreerruimte. Op het achtererf parallel aan het bestaande bedrijfsgebouw wil de initiatiefnemer het nieuwe bedrijfsgebouw realiseren en de bestaande verharding uitbreiden. De gronden zijn in bezit van de eigenaar.

Het bedrijf is gevestigd op twee locaties aan de Zandtangerweg (46 en 49). De opslag ten behoeve van het bedrijf vindt op dit moment deels in het bedrijfsgebouw aan de Zandtangerweg 49 plaats.

Op onderstaande afbeelding is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0001.png"

Luchtfoto plangebied (bron: Google maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0002.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0005.png"

Aanzichten bestaande situatie

2.2 Nieuwe situatie

Het voornemen van het handelsbedrijf is op een achter (ten zuiden van) het bestaande gelegen perceel een bedrijfsgebouw te realiseren voor de opslag van handelsgoederen. Voor het voornemen is in september 2016 door BügelHajema Adviseurs een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is als Bijlage 1 aan de toelichting toegevoegd.

Op onderstaande afbeelding is een situatieschets met de locatie van het nieuwe gebouw weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0006.png"

Het nieuwe bedrijfsgebouw (15x45x5 m) voor opslag van goederen wordt op dezelfde westelijke rooilijn geplaatst als het bestaande bedrijfsgebouw waardoor een eenduidig beeld ontstaat en het zicht vanaf de weg naar het open landschap behouden blijft. De goothoogte is hoger dan volgens het vigerende bestemmingsplan is toegestaan, maar valt binnen de marge waarin het bestemmingsplan voorziet via de algemene afwijkingsregels. De uitstraling en maatvoering van het nieuwe bedrijfsgebouw sluit aan bij de bestaande bebouwing waardoor een eenduidig beeld ontstaat. Ten westen van de nieuwe bebouwing ter hoogte van de nieuwe verharding is in een eventuele volgende fase uitbreiding van deze schuur mogelijk.

De bestaande verharding wordt met het plaatsen van het nieuwe bedrijfsgebouw vanaf twee kanten benut en biedt in totaal een tussenruimte van maximaal 19 m diep om te manoeuvreren. Ten oosten van het nieuwe bedrijfsgebouw biedt nieuwe verharding (15x20 m) meer manoevreerruimte. De bestaande verharding blijft het primaire doel behouden als manoeuvreer- en parkeerruimte, opslag dient binnen in beide bedrijfsgebouwen plaats te vinden.

Het bestaande hekwerk wordt verlengd en verplaatst in dezelfde uitstraling, hoogte en maatvoering als bestaand naar de achtergrens van het perceel. Hierdoor ontstaat een erf met een eenduidig beeld vanuit het open landschap.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie doelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met de hiervoor genoemde doelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn.

Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder van duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In paragraaf 3.2 van dit rapport wordt hier verder op ingegaan.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft het Rijk voorts enkele nationale belangen voorzien van bindende regels. Deze dienen bij ruimtelijke plannen in acht te worden gehouden. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor bindende regels zijn opgenomen.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan en -verordening
Het Provinciaal Omgevingsplan bevat het richtinggevend ruimtelijk beleid voor de provincie Groningen. Hoofddoelstelling van dit Omgevingsplan is: "Duurzame ontwikkeling - voldoende werkgelegenheid en een voor mens en natuur leefbaar Groningen met behoud en versterking van de kwaliteiten van de fysieke omgeving, waarbij toekomstige generaties voldoende mogelijkheden houden om zich te ontplooien". Het Omgevingsplan heeft de ambitie om een hoge leefkwaliteit te realiseren voor alle bewoners van de provincie met voldoende aanbod en kwaliteit van woningen, een aantrekkelijke woon- en werkomgeving en goed bereikbare voorzieningen zoals onderwijs en zorg.

In het buitengebied komen van oudsher niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen voor, waarbij sommige zijn gevestigd in gebouwen die hun oorspronkelijke functie (de functie waar ze ooit voor zijn opgericht) hebben verloren (de zogenaamde vrijgekomen gebouwen).

Voor een uitbreiding met meer dan 20% van de totale bebouwde oppervlakte en een vergroting van het bouwperceel met meer dan 20% dient voor ieder uitbreidingsvoornemen de maatwerkmethode te worden gevolgd. Dit is mogelijk onder voorwaarde dat er een erfinrichtingsplan wordt opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode, onder begeleiding van een onafhankelijke of een door het college van burgemeester en wethouders aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Ook dient in de plantoelichting te worden verantwoord dat:

  • redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar het bedrijf is gevestigd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien en
  • er rekening is gehouden met:
    • 1. de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;
    • 2. de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;
    • 3. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;
    • 4. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden en
    • 5. het aspect nachtelijke uitstraling.

Voor de beantwoording van de vraag of redelijkerwijs niet op een andere locatie in de ruimtebehoefte kon worden voorzien, is van belang dat het hier om een bedrijf gaat dat is gevestigd in een vrij nieuw gebouw aan een toegangsweg naar Mussel, waar meerdere bedrijven zijn gevestigd. Het bedrijf wil graag uitbreiden en alle buitenopslag onder dak brengen. Door te voldoen aan de voorwaarden die de gemeente in haar principebesluit noemt (zie ook paragraaf 3.3), wordt het totale ruimtebeslag niet vergroot en bovendien verder geoptimaliseerd. Verplaatsing van het bedrijf is uit ruimtelijke overwegingen niet nodig en ook economisch gezien niet gewenst.

Ook is voldaan aan de voorwaarde voor het opstellen van een erfinrichtingsplan met toepassing van de maatwerkmethode. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat als Bijlage 1 aan de toelichting is toegevoegd. In het landschappelijk inpassingsplan wordt ingegaan op de hiervoor onder 1 tot en met 5 genoemde aspecten.

Afweging
Het perceel Zandtangerweg 46 betreft een bestaand bedrijfsperceel. Voorliggend plan betreft de uitbreiding/verplaatsing van de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel. Deze ontwikkeling sluit aan op het bestaand stedelijk gebied.

De bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en om het plangebied blijven met de ontwikkeling behouden en voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld conform de voorwaarde van het Provinciaal Omgevingsplan. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels voor de borging van het landschappelijk inpassingsplan. De voorgenomen ontwikkeling past binnen het provinciale beleid.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2025
Onder de naam 'De hoofdstad van de Veenkoloniën, pionieren in de proeftuin' heeft Stadskanaal in 2009 de Toekomstvisie voor de periode tot 2025 vastgesteld. Deze Toekomstvisie 2025 betreft een actualisering van de eerdere Toekomstvisie 2000.

De Toekomstvisie 2025 bevat wensbeelden, ambities en doelen, op basis van kansen die trends en ontwikkelingen bieden. Stadskanaal is als 'de metropool van de Veenkoloniën' de onbetwiste centrumplaats van dit gebied met een compleet pakket aan voorzieningen. En ook de proeftuin voor pioniers. Als strategie - de manier waarop de doelen werkelijkheid worden - kiest de gemeente voor een regierol waar initiatieven niet vanzelf tot stand komen. De gemeente wil een doe-mentaliteit, gericht op projecten en initiatieven met een meerwaarde voor allen. Zo worden combinaties gecreëerd van identiteit, sterke punten en mogelijkheden.

Stadskanaal stelt verschillende doelen qua ontwikkeling van economie, werken en leren. Dit betreft onder meer het stimuleren van (startend) ondernemerschap in de hele gemeente en het scheppen van ruimte voor bedrijvigheid.

Principebesluit College B en W
In het bestemmingsplan Landelijk gebied is ervoor gekozen om bestaande bedrijven te bestemmen. Conform het toen geldende beleid van de provincie biedt het bestemmingsplan Landelijk Gebied een uitbreidingsmogelijheid van maximaal 20% van het bestaande oppervlak.

Op 8 december 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders een principebesluit genomen om medewerking te verlenen aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 onder a onder a 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) om de bouw van een nieuwe kapschuur mogelijk te maken. Daarbij werd ervan uitgegaan dat de provincie, vooruitlopend op de nieuwe verordening die de gewenste uitbreiding wel mogelijk maakt, medewerking wilde verlenen aan de nieuwe ontwikkeling. Inmiddels is de nieuwe Provinciale Omgevingsverordening in werking, waardoor de gewenste uitbreiding mogelijk is (zie ook paragraaf 3.2).

Het college heeft in het principebesluit uit 2015 een aantal voorwaarden aan de vergunningverlening verbonden:

  • het bestemmingsvlak voor bedrijvigheid wordt niet vergroot maar verandert van vorm. Er vindt een uitruil plaats met het perceel ten oosten van het bedrijf dat ook een bedrijfsbestemming heeft en in eigendom is van de initiatiefnemer. Dat perceel krijgt een andere passende bestemming. De mogelijkheid om een bedrijfswoning te bouwen op het naastgelegen perceel vervalt.
  • De kapschuur wordt aan de achterzijde van de bestaande loods geplaatst, waarmee de bebouwing wordt geclusterd.
  • Er wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
  • Het bedrijf is gevestigd op twee locaties aan de Zandtangerweg: Zandtangerweg 46 en 49. Tussen beide locaties vinden transportbewegingen plaats. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat een uitbreiding van de Zandtangerweg 46 zal bijdragen aan een verkeersverbetering en vermindering van verkeer aan de Zandtangerweg 49. Initiatiefnemer wordt verzocht dit nader uit te werken en aan te geven hoe de verkeerssituatie wordt verbeterd.

Afweging
Met voorliggend plan worden de bestaande bedrijfsmatige activiteiten uitgebreid. Het initiatief betreft een passend vervolg van de agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied. Gezien de aard en schaal zorgt het niet voor belemmeringen voor de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het gemeentelijke beleid.

Tijdens de voorbereiding van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft de gemeente aangegeven toch de voorkeur te geven aan de opstelling van een bestemmingsplan, met name omdat de in het vigerende bestemmingsplan aangegeven mogelijkheid voor het bouwen van een bedrijfswoning vervalt.

In het voorliggende bestemmingsplan worden de voorwaarden uit het principebesluit van 2015 in acht genomen.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In de navolgende paragrafen wordt de uitbreiding van het bedrijfsmatige gebruik getoetst aan de planologisch relevante omgevingsaspecten.

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader
Archeologische waarden dienen op grond van de Erfgoedwet te worden mee gewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. De belangrijkste uitgangspunten van de wet zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde 'veroorzakerprincipe'. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt, financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of voor een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.

Afweging
Het plangebied ligt op grond van het gemeentelijke archeologiebeleid in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Tevens zijn in en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

Deze aspecten vormen dan ook geen belemmering voor de nieuwe ontwikkeling.

4.2 Bodem

Wettelijk kader
Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.

Afweging
Sigma Bouw & Milieu heeft in juni/juli 2017 een milieukundig nulsituatie bodemonderzoek volgens NEN-5740 uitgevoerd op het onbebouwde deel van de locatie waar de nieuwe bedrijfsloods zal worden gebouwd. Het pand wordt voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het nulsituatie bodemonderzoek had met name betrekking op het terreindeel waar opslag van gewasbeschermingsmiddelen zal gaan plaatsvinden. Het volledige onderzoeksrapport is als Bijlage 2 aan dit plan toegevoegd.

Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevat namelijk een verontreiniging ten opzichte van de streefwaarde. De licht verhoogde chemische verontreiniging in het grondwater overschrijdt de tussenwaarde niet en geeft daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van nader onderzoek.

De onderzoeksresultaten stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypothese. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er beïnvloeding van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden. De milieuhygiënische nulsituatie van het onbebouwde deel van de locatie is voldoende vastgesteld. Hiermee is het plan wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

De Omgevingsdienst Groningen heeft op 9 september 2017 aangegeven dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering is voor het realiseren van de bestemmingswijziging. De bodem is geschikt voor de beoogde functie. Voor het wijzigen van de bestemming is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Vanuit het Activiteitenbesluit is het voorschrift om bij opslag of werkzaamheden met bodembedreigende stoffen een nulsituatie bodemonderzoek uit te voeren.

4.3 Water

Wettelijk kader
In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een verslag te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets.

Op 1 september 2016 is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomst hiervan is als Bijlage 3 aan dit plan toegevoegd. Hieruit blijkt dat de korte procedure kan worden doorlopen. Naar aanleiding van de digitale watertoets heeft het waterschap d.d. 11 oktober 2016 een definitief advies gegeven. Hieruit blijkt dat compensatie noodzakelijk is. Hieromtrent heeft telefonische afstemming met het waterschap plaatsgevonden.

Afweging
Met het Waterschap Hunze en Aa's is overeenstemming bereikt dat als compensatie een sloot wordt aangebracht aan de zuidzijde van het plangebied en dat een aansluiting wordt verzorgd op de bestaande schouwsloot, zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0007.png"

Het waterschap heeft aangegeven hier geen bezwaren tegen te hebben, mits de wijzigingen in de waterhuishouding via de Keur zijn gemeld, dan wel met een watervergunning zijn vastgelegd.

4.4 Ecologie

Wettelijk kader
Om de uitvoerbaarheid van onderhavig plan te toetsen, is een ecologische inventarisatie van de natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 5 september 2016 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs.

Plangebied
Het plangebied ligt aan de Zandtangerweg in Mussel en bestaat uit een deel van het terrein van het bedrijf Johan Schuitema en het ten zuiden daarvan gelegen weiland. Aan de oost- en westzijde van het terrein is gazon met daarin solitaire bomen, heggen en (jonge) houtsingels aanwezig. De enige aanwezige bebouwing is het (te behouden) bedrijfspand. Aan de noordzijde van het terrein bevinden zich enkele greppels. Permanent oppervlaktewater is niet aanwezig. De beoogde plannen bestaan uit de realisatie van een tweede bedrijfspand te gebruiken voor opslag van goederen (ter plaatse van het weiland). Daarnaast worden de bestaande groenstructuren aan de oost- en westzijde van het bestaande bedrijf versterkt, wordt een groenstrook geplaatst aan de zuidzijde van het nieuw te bouwen pand en worden de greppels aan de noordzijde van het terrein verlengd ten bate van waterberging.

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0008.jpg"

Impressie plangebied, links het weiland, rechts de groenstructuren ten west van het bedrijfspand (5 september 2016)

Wet natuurbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

INVENTARISATIE
Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) via Quickscanhulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 06-09-2016 09:37:01) blijkt dat uit het projectgebied en omgeving (0-1 km) meerdere broedvogelsoorten met een jaarrond beschermd nest bekend zijn. Indien van toepassing worden relevante soorten in onderstaande tekst betrokken.

In het weiland zijn voornamelijk bloeiende grassen zoals timotheegras, grote vossenstaart en kropaar aangetroffen aanwezig. Daarnaast zijn soorten als gewone paardenbloem en perzikkruid en diverse gecultiveerde bomen en struiken aanwezig. In het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen en gezien het gebruik van het terrein en de terreingesteldheid ook niet te verwachten.

Wegens het ontbreken van geschikte bebouwing en bomen met voor vleermuizen potentiële verblijfplaatsen (zoals holten en scheuren), kan de aanwezigheid van de streng beschermde vaste verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten in het projectgebied. Door de aanwezigheid van opgaande groenstructuren fungeert het projectgebied naar verwachting wel als foerageergebied voor in de omgeving verblijvende vleermuizen. Op basis van de terreingesteldheid zijn soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger te verwachten.

Jaarrond beschermde broedvogelnesten (van bijvoorbeeld roofvogels en uilen) zijn niet in het projectgebied aangetroffen en te verwachten. Het projectgebied vormt gezien de huidige situatie en de ligging nabij bestaande bebouwing geen essentieel onderdeel van foerageergebied van broedvogels die mogelijk een jaarrond beschermde verblijfplaats in de ruime omgeving van het projectgebied hebben. In de groenstructuren zijn meer algemeen voorkomende broedvogels zoals vink, winterkoning, houtduif en merel broedend te verwachten.

Onder strooisellaag en ruigte zijn verder algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, gewone pad en bruine kikker en algemene grondgebonden zoogdiersoorten als egel, veldmuis, huisspitsmuis, en rosse woelmuis te verwachten. Voor de te verwachten soorten geldt in de provincie Groningen een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Geschikt leefgebied voor strikt beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten ontbreekt in het projectgebied.

Voor (beschermde) vissen, ongewervelden en reptielen is geen geschikt biotoop aanwezig binnen en direct rond het projectgebied.

TOETSING
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen in gebruik zijnde nesten van vogels worden verstoord. Het is verboden nesten van vogels (indien nog in functie) te verstoren of te vernietigen. Om verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen te voorkomen dient bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden daarom voldoende rekening te worden gehouden met het broedseizoen of dient voorafgaand aan de werkzaamheden te worden vastgesteld dat geen broedgevallen aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen verblijfplaatsen van enkele algemene beschermde amfibieën- en/of zoogdierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De aanwezige licht beschermde soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

Als gevolg van de ontwikkelingen verandert het projectgebied niet van waarde als foerageergebied voor vleermuizen.

Gebiedsbescherming
Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet natuurbescherming en de provinciale structuurvisie en verordening.

WET NATUURBESCHERMING
In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden, geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

NATUURNETWERK NEDERLAND
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is voor de provincie Groningen uitgewerkt in het Provinciaal Omgevingsvisie 2016-2020 en de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 (provinciaal ruimtelijk natuurbeleid).

NATUUR BUITEN HET NNN
Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt verder buiten het NNN bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bestaande bos- en natuurgebieden en leefgebied van akker- en weidevogels.

INVENTARISATIE
Het projectgebied ligt niet in of grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb en de gronden zijn niet aangewezen als NNN. De afstand van het projectgebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is circa 15 kilometer. Dit betreft Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Het meest nabij gelegen beschermde gebied in het kader van het NNN ligt op een afstand van circa 2,8 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied. De meest nabij gelegen natuur buiten het NNN ligt op een afstand van circa 1,5 kilometer. Het projectgebied heeft geen belangrijke ecologische relaties met de beschermde gebieden.

TOETSING
Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde gebieden en de aard van het plan kunnen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in het kader van de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid op voorhand worden uitgesloten.

Afweging
Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat nader onderzoek en/of het aanvragen van een vergunning dan wel een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is.

Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met nestelende vogels. Verstoring van broedgevallen (in gebruik zijnde nesten) van vogels dient te worden voorkomen.

4.5 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Afweging
In het kader van het plan is de risicokaart van de provincie Groningen geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de nabij omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zijn gelegen.

De bedrijfslocatie zelf betreft een risicovolle inrichting; geen Bevi-inrichting. Gezien de omvang van de ingreep, de realisatie van een bedrijfsgebouw ten behoeve van opslag aan de achterzijde van het perceel, zal de locatie niet dusdanig veranderen dat dit een groter risico oplevert voor de omgeving.

Ten aanzien van het aspect Externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. De Omgevingsdienst Groningen heeft deze conclusie op 9 september 2017 bevestigd.

Op 10 oktober 2017 heeft de gemeente een e-mail ontvangen dat de Veiligheidsregio Groningen op basis van de voorgenomen ontwikkeling en na verifiëring van de risicokaart geen aanleiding ziet tot het uitbrengen van een advies. Het bericht is als Bijlage 5 bij de toelichting opgenomen.

4.6 Verkeer

Het bedrijf is een agrarische groothandel die ook toegankelijk is voor particulieren. Het bedrijf richt zich met name op akkerbouwers, melkveehouders, tuinbouw en groenvoorziening in Noord Nederland. De werkzaamheden in het bedrijf zijn seizoensafhankelijk. De meeste activiteiten vinden plaats in de periode eind maart tot en met eind juni. Buiten deze periode vinden doorgaans minder activiteiten plaats.
In het bedrijf zijn circa 10 vaste en 5 parttime medewerkers werkzaam waarvan een deel in de buitendienst zit en niet op het bedrijf aanwezig is. Op het voorterrein nabij de winkel staan doorgaans circa 10 personenauto's van het personeel geparkeerd.
Voor de aan- en afvoer van producten worden de beide locaties bezocht door zware en middelzware vrachtwagens en tractoren. Per locatie komen er circa 8 zware vrachtwagens, 8 middelzware vrachtwagens, 2 tractoren en 15 personen- of bestelauto's (deze laatste alleen bij nummer 46) per etmaal.
Op een drukke dag wordt de winkel door 60 auto's bezocht. Deze maken gebruik van de parkeergelegenheid op het voorterrein van de winkel.

In de nieuwe situatie worden de activiteiten op nummer 49 verminderd. De opslag op deze locatie wordt verminderd en deels verplaatst naar nummer 46 (nieuwe loods). Het afhalen van meststoffen en dergelijke voor particulieren wordt grotendeels verplaatst naar nummer 46. Dit heeft tot gevolg dat leveranciers en particulieren niet of nauwelijks meer parkeren bij nummer 49, maar bij nummer 46. Daarnaast neemt door de verschuiving van de activiteiten ook het verkeer tussen beide locaties af.

De locatie op nummer 46 kent goede parkeervoorzieningen en biedt goede mogelijkheden om op eigen terrein te kunnen keren. Daarnaast is de aansluiting op de Zandtangerweg van nummer 46 helder en overzichtelijk.
Het voornemen betekent daarom een verbetering van de doorstroming en de verkeersveiligheid op de Zandtangerweg.

4.7 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben'.

Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Afweging
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het Ministerie van infrastructuur en milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

Op grond van de nibm-tool (versie mei 2017) is een dergelijk project pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 200 per dag, uitgaande van een percentage vrachtauto's van 50%. Het project betreft de realisatie van een bedrijfsgebouw bij het bestaande bedrijfsmatige gebruik. Naar verwachting zal het aantal ritten niet met dit aantal toenemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0037.BP1609-on01_0009.png"

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.8 Milieuzonering

Wettelijk kader
Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

Onderzoek
Door akoestisch adviesbureau NAA is d.d. 7 april 2017 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als Bijlage 4 aan dit plan toegevoegd. In het navolgende is kort de conclusie van het onderzoek weergegeven.

In de inrichting van Johan Schuitema aan de Zandtangerweg 46 en 49 in Mussel zullen wisselende bedrijfssituaties (seizoensafhankelijk) met bijbehorende geluidsproductie optreden. Voor de vaststelling van de geluidssituatie moet primair worden uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie: die situatie waarbij de voor de geluidsproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit voor elke te beschouwen beoordelingsperiode. Als er op deze wijze meerdere bedrijfssituaties kunnen worden vastgesteld, is - per beoordelingsperiode - die met de hoogste geluidsniveaus op de omgeving maatgevend. In dit onderzoek is de maatgevende situatie onderzocht. Het overige deel van het jaar zal de geluidsbelasting op de omgeving lager zijn.

De geluidsbelasting van de hele inrichting, inclusief uitbreiding, bedraagt in de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 48 dB(A) bij de omliggende woningen van derden. De maximale geluidsniveaus bij de woningen bedragen ten hoogste 70 dB(A) in de dagperiode. De indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting veroorzaakt op de woning Zandtangerweg 48 een geluidsbelasting van ten hoogste 50 dB(A).

Voor de bedrijfswoning Zandtangerweg 51 wordt een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste 53 dB(A) en het maximale geluidsniveau van ten hoogste 75 dB(A) berekend. Op basis van de grondige afweging kan worden geconcludeerd dat de geluidssituatie voor deze woning door de uitbreiding met de nieuwe loods aan de Zandtangerweg 46 alleen maar beter wordt. Zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus zullen na de uitbreiding afnemen vanwege het gebruik van een stillere heftruck en minder voertuigbewegingen.

Afweging
In het plangebied is reeds sprake van een bedrijfsfunctie. De ontwikkeling maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die een grotere bescherming noodzakelijk maken ten opzichte van de bestaande situatie.

Het plan maakt de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw voor opslag mogelijk. Het betreft een agrarische (groot)handel met advisering en verkoop van agrarische producten, met name gericht op akkerbouwers, melkveehouders, tuinbouw en groenvoorziening. Het bedrijf levert onder andere gewasbeschermingsmiddelen, (blad)meststoffen, zaai- en pootgoed, landbouwfolie, perstouw en wikkelfolie.

Op grond van de VNG-brochure gaat het om bedrijvigheid in milieucategorie 2, waarvoor een grootste richtafstand van 30 m geldt voor het aspect geluid. Voor de aspecten geur en stof geldt een richtafstand van 10 m. Deze afstanden worden gemeten van de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning.

Ten noorden van het plangebied bevinden zich twee woonpercelen. Tevens is aan de westzijde van het perceel een woonperceel aanwezig. Aan de zuidzijde van het perceel, de locatie waar de uitbreiding plaatsvindt, wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden. De afstand van de dichtstbij gelegen woning tot het plangebied bedraagt circa 50 m. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof en geluid. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.

Voor beoordeling in het kader van de ruimtelijke ordening is aangesloten bij het stappenplan van de publicatie Bedrijven en milieuzonering. Binnen dit kader is de omgeving aan te duiden als een gemengd gebied (grenswaarde stap 2, langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 50 dB(A), maximale geluidsniveaus 70 dB(A) en indirecte hinder 50 dB(A)).

Bij de onderzochte (bedrijfs)woningen is en blijft na uitbreiding sprake van een goed woon- en leefklimaat. De geluidsbelasting van de inrichting voldoet bij de woningen na uitbreiding aan de grenswaarde van 50 dB(A) van het Activiteitenbesluit. De maximale geluidsniveaus veroorzaakt door de inrichting voldoen aan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Hiermee is het plan wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar.

4.9 M.e.r.-(beoordelings)plicht

Wettelijk kader
Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Afweging
Het plan maakt een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk. Voor de aanleg van industrieterreinen (D11.3) geldt een grenswaarde van 75 ha.

De nieuwe ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat het ruimschoots onder de drempelwaarden voor ontwikkelingen blijft, zoals die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het voornemen geen significant effecten op de omgeving heeft. Gezien de afwezigheid van die effecten is een m.e.r.-beoordeling dan ook niet nodig.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat vooral om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder et cetera), soms onder voorwaardelijke voorwaarden, toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren;
  • de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van "werken, overige bouwwerken, en werkzaamheden" (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve:

  • het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • het bebouwen van de gronden;
  • het verrichten van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2 Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:

  • 1. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één enkelbestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling of ter beperking van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
  • 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels "iets" geregeld. Dat "iets" kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
5.1.3 Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (Artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (Artikel 2).
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Tenslotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2.1 Bestemmingen

Het bestemmingsplan heeft één bestemming, te weten:

Het agrarisch handelsbedrijf Joh. Schuitema is bestemd als Bedrijf, conform het geldende bestemmingsplan. In de bestemmingsomschrijving wordt een agrarisch handelsbedrijf mogelijk gemaakt, alsmede overige niet-agrarische bedrijven van categorieën 1 en 2.

De bedrijfsbebouwing moet binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale goothoogte bedraagt 4,5 m. Met gebruikmaking van de algemene afwijkingsregels wordt de goothoogte van de nieuw te bouwen loods in het voorliggende bouwplan met 10% verhoogd. De bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m. De bouw van een bedrijfswoning is niet toegestaan.

In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

5.2.2 Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels, De overgangsbepalingen zijn standaardbepalingen die uit het Bro zijn overgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor de nieuwe ontwikkeling komen ten laste van de initiatiefnemer. Tussen gemeente en initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin wordt vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het bestemmingsplan, voor rekening van de initiatiefnemer komen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak en vooroverleg

Ten aanzien van dit bestemmingsplan is besloten geen inspraakmogelijkheid te geven op het voorontwerpbestemmingsplan en het bestemmingsplan meteen als ontwerp in procedure te brengen. Wel heeft, conform het gestelde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, vooroverleg plaatsgevonden. Er zijn reacties ontvangen van de Veiligheidsregio Groningen en van de provincie Groningen. Deze zijn als Bijlage 5 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Van het waterschap en de Gasunie is geen reactie ontvangen.

6.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bekendmaking van het bestemmingsplan vindt plaats door middel van een publicatie in de Staatscourant, gemeenteblad (overheid.nl) en onze eigen website. Daarnaast worden direct omwonenden per brief op de hoogte gebracht.

Het ontwerpplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Eventueel ingediende zienswijzen worden geanonimiseerd en voorzien van een passend antwoord.

De resultaten worden te zijner tijd in deze paragraaf vermeld.